het offer

de golven slaan van alle kanten tegen de rotsen aan. waterdruppels vliegen door de lucht en blijven liggen op mijn haar. ik kan het wel vergeten om vandaag nog de grot in te komen, desalniet te min waag ik een poging. ik volg de door mijn vader uitgehakte trap naar beneden. de trap is glad geworden van het water en ik dreig meerdere malen van de trap te worden gesleurd door de woeste golven. ik vervloek mezelf voor het feit dat ik nog geen touw gespannen heb voor steun. onder aan de trap word ik samen met een van de golven terug de trap op gegooit. ik grom maar ben vast besloten de grot te bereiken. ik klamp me vast aan de gedachten dat het zo allemaal over is. dat alles dan weer rustig is, dat mijn leven dan weer rustig is. ik laat me langzaam in het water zakken. de kou is overweldigend maar ik heb al geen tijd meer om te twijfelen over mijn beslissing want een grote golf slingert me weg bij  de trap. ik klam tegen de rotsen aan, en hoewel de pijn van die klap haast ondragelijk is kan ik het gevoel van vreugde niet volledig van me af zetten. de golf bracht me dichter bij de grot dan ik had durven hopen. ik klauter het laatste stukje naar de grotten over de rotsen. de ingang zit onderwater en deze golven maken het nou niet bepaald makkelijk om te zwemmen. ik ben zover gekomen en ik laat me niet hier door tegen houden. ik bind mijn haar vast en neem een grote aanloop. zodra ik het wateroppervlak raak, raakte de stroming mij en word ik langzaam weg gevoerd van de grot. uit alle macht probeer ik terug naar de grot te zwemmen maar de stroming is te sterk. ik klamp me uit alle macht aan de rotsen vast al weet ik dat het geen zin heeft. ik probeer omhoor naar het wateroppervlak te komen via de rotsen. ik ga voor nog een poging en klauter weer op de rotsen. dit keer spring ik niet maar laat ik me langzaam in het water zakken. ik klauter op de zelfde manier onder water als ik naar boven gekomen ben. de grot is niet erg ver onder water maar met deze manier van duiken ben ik langer bezig. zeewier kronkelt aan alle kanten om me heen en probeert me te belleten de grot te betreden. scholen van honderden vissen springen geschrokken uit elkaar als ze mij aan zien komen. na een tijdje word de gang smaller en blijft er alleen nog maar een spleet over om me door heen te persen. in de grot zelf is het donker. het enigste lichtpuntje komt van de maan die door kleine kieren naar binnen schijnt. blij dat ik het gehaald heb laat ik een moment van vreugde toe. ik wring mezelf uit en gun mezelf een kort momentje van rust. zo zit ik nog steeds onder uit gezakt tegen de rotsen als het licht steeds feller word. vagen schimmen en schaduwen worden zichtbaar op de muren. het lichtpunt is nu zo fel dat ik mijn ogen af moet wenden om niet te worden verblind. ´ je bent laat´ een lage toch melodieuze stem dringt mijn gedachten binnen. en als ik mijn ogen weer opricht zie ik dat het lichtpunt is veranderd in een soort mens, vis achig geval. haar gezicht en uitdrukking zijn te menselijk voor een vis. en toch hangen er aan alle kanten van haar lichaam slierten en een soort vinnen. ze straalt een lichte gloed uit zodat ze goed zichtbaar is in de donkere grot. ´ u verwachte mij?´ ik ben blij dat mijn stem niet verraad hoe zenuwachtig ik eigenlijk ben. ´ natuurlijk verwachte ik je, dom mens. ik ben en weet alles.´ ´ u bént alles?´ ´ wat zijn mensen toch wonderlijke wezens, doen alsof ze alles weten maar als het er op aan komt verwachten dat alles hun maar aan komt waaien.´ zegt ze verachtend. ´ ik ben als ed en vloed, als licht en donker, als warm en koud en als goed en kwaad. geef mij iets en je zult iets terug krijgen, maar vraag mij iets of neem iets van mij af en je zult iets verliezen.´ ´ kom om u iets te vragen...´ ´ dat weet ik.´ onderbreekt ze me. ´ je weet hoe gevaarlijk dit is en dat je met een enkele vraag alles kan verliezen wat je dierbaar is? je hebt hier heel goed over nagedacht?´ als ik nogmaals knik zucht ze. ´ best, wat is je vraag.´ ´ een vriend van mij is vreselijk ziek, hij zal sterven als er niet snel iets gebeurd en de dokters uit ons dorp kunnen hem niet helpen.´ ´ en nu wil je dat ik hem genees, of niet soms?´ haar stem klinkt verveeld en ze keurt me geen blik waardig.´ dat hoopte ik ja.´ ze knikt en slaat eindelijk haar ogen naar me op.´ je weet dat dit een grote klus is en dat grote klussen vragen om nog grotere offers?´ weer knik ik en zucht zij. dan is ze weg en ben ik nog maar alleen in de grot. als ik terug kom in het dorp is iedereen opgewonden en praten over een wonder. ik weet meteen dat het gelukt is. na een bezoekje aan mijn vriend, die al is de koorts aan het verminderen, nog steeds niet volledig bij zinnen kon komen, zie ik haar om de hoek staan te wachten om haar grote offer te innen. ze neemt me schattend in zich op en laat an een van haar tentakel achtige dingen op mijn hoofd liggen. als ze hem weer weg haalt verschijnt er een grijns om haar mond. haar ogen dwingen me haar aan te kijken. ´ ik zal nu mijn offer innen. vanaf morgen zal jij niet langer worden als Bethany uit huize Lenouire maar als Bethany White dochter van de varkens boer. je zult 24 uur per dag bezig zijn op het land, jou vriend die ik zonet gered heb zal je geen blik meer waardig keuren en elke keer dat je over onze ontmoeting probeerd te praten zal het voelen alsof er een mes in je rug word gestoken.´ dan is ze verdwenen en laat ik me huilend langs het huis omlaag zakken. opgerold tot een zielig balletje elende, hopend dat dit alles een droom geweest was en dat als ik wakker word er helemaal niets aan de hand is, dat de grot nooit heeft bestaan en dat mijn vriend nooit ziek werd. maar als ik wakker word ruik ik enkel de geur van varkens poep.

 

de goude stem

stilletjes sluip ik dichterbij, goed oplettend dat het figuur op het bankje me niet opmerkt. een takje kraakt onder het gewicht van mijn schoen. in stilte vervloek ik mezelf hiervoor, al heeft het geen zin. erg nodig is het trouwens ook niet wan hoewel het figuur even m zich heen kijkt hij lijkt er niks achter te zoeken. bij de grote boom aangekomen laat ik me tegen de stam aan zakken en luister naar de melodieuze klanken van zijn stem. al zingt hij tegen de sterren, het gevoel dat zijn woorden voor mij zijn bedoeld kan ik niet volledig van me af zetten. zijn stem zo zacht en warm. na het lied durf ik eindelijk om de stam heen te gluren. hij zit nog steeds op precies de zelfde plek op het bankje. al is zijn vlik nu op mij gericht. zijn helder blauwe ogen vinden de mijne en dwingen me hem aan te kijken. er vonkt iets in zijn ogen, een emotie die ik niet thuis kan brengen. hij staat zo abrupt op dat ik er van schrik maar hij merkt het niet en is al onderweg naar de poorten. te verdwaasd om iets te doen zak ik terug tegen de stam aan. zo blijf ik een hele tijd zitten tot de kraaien me waarschuwen voor iets wat staat te gebeuren. iets groots, en waarscheinlijk niet erg prettig. ik weet niet of ik nu ban moet zijn of opgelucht. mijn leven is de laatste tijd een grote gevaren zone geweest en zodra er een dag niets ergs gebeurd begin ik gelijk argewaan te krijgen. een van de kraaien strijkt voor me neer in het hoge gras. hij kijkt me aan met zijn kraaloogjes en verteld me dat het nu echt tijd is om te gaan. ik krabel overeind en als verdoofd begin ik naar de poorten toe te lopen. het begint al licht te worden en ik ben bang dat ze misschien al hebben gemerkt dat ik niet in mijn bed lig. normaablijf ik nooit zolang hangen op de open plek, maar dit lied ging dieper dan de andere. met het lied nog in mijn hoofd loop ik door het kleine dorpje voor de poorten. hoe dichter ik bij de poorten kom hoe drukker het word. iedereen verdrigt zich langs de rivier maar als ik het vraag wil niemand antwoord geven waarom.  als ik bij het wachters huisje aankom hoor ik de wachters praten over een jongen met een goude stem die zichzelf van de brug gestord heeft vannacht. ik haast me terug naar de brug, kan dit echt waar zijn? heeft hij zichzelf echt zoiets aan gedaan? maar als ik het lijk zie dat uit de rivier gehaald word, weet ik het zeker. het lied dat hij deze morgen zong was niet tegenover mij gericht, hij had me niet gehoord of gezien. dit was zijn manier van een laatste eer bewijzen. het lied was een dodezang geweest.